In 2026 pompen de vier grootste techbedrijven samen meer dan 650 miljard dollar in artificiële intelligentie. Het is een bedrag dat nauwelijks te bevatten is en dat één ding duidelijk maakt: AI is geen hype meer, maar infrastructuur.
Toch stelt technologie-analist Benedict Evans een verrassend nuchtere vraag: Moeten we in paniek raken omdat software “sterft”? Of moeten we net even ademhalen?
Een nieuwe platformrevolutie… maar met oude patronen
Volgens Evans bevindt AI zich midden in een klassieke technologiecyclus. Net zoals de pc, het internet en de smartphone ooit de wereld hertekenden, vormt AI nu de volgende grote platformverschuiving.
Maar er is een belangrijke nuance: Niemand weet nog precies hoe deze revolutie eruit zal zien.
Waar eerdere technologische sprongen duidelijke richtingen hadden, blijft AI voorlopig een vraagteken. Welke toepassingen winnen? Waar zit de echte waarde? En wie controleert de distributie?
De geschiedenis leert één ding: Bij elke revolutie ontstaat eerst chaos, gevolgd door consolidatie.
De AI-paradox: Iedereen gebruikt het… maar niemand écht
Een van de meest opvallende inzichten is wat Evans de “AI-paradox” noemt.
Hoewel miljoenen mensen tools zoals chatbots hebben geprobeerd, blijft intensief dagelijks gebruik beperkt.
AI is overal zichtbaar, maar nog lang niet overal essentieel.
Het doet denken aan de beginjaren van het internet: Iedereen voelde dat het belangrijk was, maar niemand wist precies waarvoor.
Van tool naar onzichtbare motor
Misschien is de grootste misvatting dat AI een opzichzelfstaand product zou zijn. Evans suggereert het tegenovergestelde: AI zal verdwijnen… in de zin dat het onzichtbaar wordt.
Net zoals elektriciteit of het internet vandaag niet meer als “innovatie” worden gezien, maar als basisinfrastructuur, zal AI zich integreren in alles wat we doen.
De echte impact zit dus niet in spectaculaire apps, maar in stille automatisering:
- marketing die zichzelf optimaliseert
- code die grotendeels automatisch ontstaat
- klantenservice die grotendeels door AI draait
AI wordt geen product. Het wordt een laag onder alles.
Waar zit de echte waarde?
Een cruciale vraag die Evans stelt: Als AI-modellen steeds meer op elkaar gaan lijken, waar wordt dan geld verdiend?
Het antwoord ligt waarschijnlijk niet in de technologie zelf, maar in drie domeinen:
- distributie (wie bereikt de gebruiker?)
- data (wie heeft unieke informatie?)
- productervaring (wie maakt het bruikbaar?)
Met andere woorden: AI verandert de regels, maar niet het spel.
“AI geeft je oneindig veel stagiairs”
Een van de meest treffende metaforen uit de talk: AI is als een leger van oneindig veel stagiairs.
Ze kunnen enorm veel werk verzetten (schrijven, analyseren, coderen) maar maken ook fouten. Daarom blijft menselijke controle essentieel.
Dat betekent dat de toekomst geen volledige automatisering is, maar een hybride model: Mens + machine.
Is software dan echt dood?
Het korte antwoord: Nee, maar software verandert fundamenteel:
AI verlaagt de kost en complexiteit van softwareontwikkeling drastisch. Het wordt makkelijker, sneller en toegankelijker om digitale producten te bouwen.
Dat betekent niet het einde van software, maar net een explosie ervan.
Zoals bij eerdere revoluties zal niet alles verdwijnen, maar alles zal wel veranderen.
Misschien moeten we gewoon even ademhalen
De kernboodschap van Evans is verrassend geruststellend.
Ja, AI is enorm.Ja, de investeringen zijn historisch.Maar we zitten nog in de beginfase.
De meeste toepassingen zijn voorlopig:
- experimenteel
- aanvullend
- en vaak nog niet mission-critical
De echte impact komt later, wanneer AI niet langer opvalt, maar vanzelfsprekend wordt.









