De stille machtsverschuiving achter artificiële intelligentie
Terwijl politici, bedrijven en burgers gefascineerd kijken naar de nieuwste AI-chatbots en slimme toepassingen, speelt zich volgens voormalig Google X-topman Mo Gawdat een veel grotere strijd af. Het gaat niet langer om wie de beste app bouwt, maar om welke landen de fundamentele AI-infrastructuur bezitten die de economieën van morgen zal aandrijven.
Volgens Gawdat dreigt een groot deel van Europa die strijd te verliezen. Niet omdat het continent te weinig talent heeft, maar omdat het te afhankelijk is geworden van buitenlandse technologie. Wie geen eigen AI-systemen ontwikkelt, zal volgens hem uiteindelijk afhankelijk worden van geïmporteerde intelligentie, net zoals ontwikkelingslanden vroeger afhankelijk waren van geïmporteerde industrie.
Van industriële revolutie naar intelligentierevolutie
De voormalige Google-bestuurder ziet artificiële intelligentie als de belangrijkste economische verschuiving sinds de industriële revolutie. Landen die vandaag investeren in datacenters, chips, AI-modellen en digitale infrastructuur bouwen volgens hem de fundamenten van hun toekomstige welvaart.
Landen die dat niet doen, lopen het risico om slechts consumenten van technologie te worden. Ze betalen dan miljarden of zelfs biljoenen euro's aan buitenlandse bedrijven voor softwarelicenties, AI-diensten en digitale platformen, zonder zelf een betekenisvolle positie in de waardeketen op te bouwen.
Volgens Gawdat dreigt hierdoor een nieuwe vorm van economische afhankelijkheid te ontstaan: technologische kolonisatie.
De les die China begreep
Als voorbeeld verwijst hij naar de manier waarop China de voorbije decennia zijn technologische onafhankelijkheid heeft opgebouwd. Toen buitenlandse internetbedrijven de Chinese markt wilden domineren, werden lokale spelers beschermd door regelgeving en beleidsmaatregelen.
Dat zorgde ervoor dat binnenlandse bedrijven gedwongen werden om te concurreren, te investeren en te innoveren. Uiteindelijk groeiden ze uit tot wereldspelers die vandaag actief zijn in sectoren zoals e-commerce, artificiële intelligentie, elektrische voertuigen en robotica.
Volgens Gawdat heeft China begrepen dat technologische soevereiniteit geen luxe is, maar een strategische noodzaak.
Europa importeert, China bouwt
Waar China volgens hem systematisch eigen ecosystemen creëerde, ziet hij in Europa het tegenovergestelde gebeuren. Europese organisaties maken massaal gebruik van Amerikaanse software, cloudplatformen en AI-modellen.
Elke licentiebetaling vloeit weg naar buitenlandse technologiebedrijven. Daardoor worden enorme hoeveelheden economische waarde geëxporteerd terwijl lokale innovatie achterblijft.
De vraag die Europa zichzelf moet stellen, aldus Gawdat, is of het bereid is om een producent van technologie te worden, of tevreden blijft met de rol van consument.
De arbeidsmarkt staat voor een schokgolf
De impact van AI beperkt zich niet tot geopolitieke machtsverhoudingen. Ook de arbeidsmarkt zal volgens hem ingrijpend veranderen.
Binnen enkele jaren zouden in bepaalde sectoren tot 30 procent van de jobs kunnen verdwijnen of fundamenteel veranderen. Administratieve functies, routinematig kantoorwerk en een deel van de kennisberoepen zullen steeds vaker door AI-systemen worden uitgevoerd.
Dat betekent niet noodzakelijk dat werk volledig verdwijnt, maar wel dat werknemers zich sneller dan ooit zullen moeten aanpassen aan nieuwe rollen en vaardigheden.
Energie wordt de nieuwe grondstof van AI
Een vaak onderschat onderdeel van de AI-race is energie. Geavanceerde AI-modellen vereisen gigantische hoeveelheden rekenkracht, en die rekenkracht verbruikt enorme hoeveelheden elektriciteit.
Volgens Gawdat kampen landen zoals het Verenigd Koninkrijk en delen van Europa met hoge energiekosten en complexe vergunningsprocedures. Dat maakt het moeilijk om concurrerende AI-infrastructuur uit te bouwen.
Terwijl andere regio's nieuwe datacenters bouwen aan een razendsnel tempo, dreigt Europa vast te lopen in bureaucratie en stijgende kosten.
Dreigt een samenleving met basisinkomen?
Wanneer automatisering een groot deel van het werk overneemt, ontstaat volgens Gawdat een fundamentele maatschappelijke vraag: hoe blijft koopkracht verdeeld?
Een mogelijk antwoord is een universeel basisinkomen. Toch waarschuwt hij dat dit systeem onbedoelde gevolgen kan hebben. Wanneer economische activiteit steeds sterker wordt geconcentreerd rond enkele technologiebedrijven, kan de traditionele arbeidsmarkt verzwakken en kunnen alternatieve economische modellen ontstaan.
Sommigen zien daarin een toekomst van overvloed, anderen vrezen een terugkeer naar lokale ruilsystemen en een minder dynamische economie.
Is de AI-race al beslist?
De meest controversiële uitspraak van Gawdat is wellicht dat de AI-race volgens hem al lang gewonnen is. Hij gelooft dat China zich strategisch zo sterk heeft gepositioneerd dat veel westerse landen moeite zullen hebben om de achterstand nog in te halen.
Dat betekent niet dat innovatie in Europa of Noord-Amerika zal stoppen. Wel dat de machtsverhoudingen in de technologiesector fundamenteel kunnen verschuiven tijdens het komende decennium.
Voor beleidsmakers, ondernemers en investeerders vormt dat een duidelijke waarschuwing: de toekomst van AI wordt niet alleen bepaald door slimme algoritmen, maar vooral door wie de infrastructuur, energievoorziening en strategische visie bezit om die technologie op grote schaal uit te rollen.
Conclusie
Volgens Mo Gawdat bevindt de wereld zich op een historisch kantelpunt. Artificiële intelligentie evolueert van een technologische innovatie naar een economische en geopolitieke machtsfactor. Landen die vandaag investeren in eigen AI-capaciteiten bouwen mogelijk de welvaart van de komende generaties op. Landen die achterblijven, riskeren afhankelijk te worden van buitenlandse digitale grootmachten.
De echte vraag is daarom niet wie de beste chatbot ontwikkelt, maar wie de controle krijgt over de intelligentie die de wereldeconomie van morgen zal aansturen.









